“Hallo, mijn naam is Bobby Grasso en ik zit op de Bunnikside bij FC Utrecht”. Blikken schieten over en weer. Ik hoor ze denken: ‘toch geen hooligan’. Het irriteert mij. De vooroordelen over voetbal zijn er kennelijk nog steeds. Iedere voetbalsupporter wordt telkens als dezelfde persoon neergezet. Wij zijn ruziezoekers, wij hebben een grote bek, wij houden wel van een potje knokken en wij zijn bij voorkeur ook nog asociaal. Maar wat men niet weet is dat de ‘hooligan’ groep hooguit bestaat uit 100 tot 200 man per club, de rest is gewoon supporter.
Het is begin april en de wedstrijd tegen eeuwige rivaal Ajax staat op het programma. Er wordt een liedje gezongen op de Bunnikside die nooit gezongen had mogen worden. Iets met ‘joden’ en ‘gas’. Nee, dat hoort absoluut niet, niet op de tribune niet in de maatschappij. Er wordt tijdens de wedstrijd niks aan gedaan maar daarna stort de ene na de andere media zich op de spreekkoren.
Een dag erna wordt ik natuurlijk als eerste aangesproken op datgene wat er die dag ervoor werd gezongen. “Heb jij dat ook gezongen?” “Vond je het niet wat te ver gaan?” “Ik snap niet dat je daar bij wilt horen!” Het zijn enkele voorbeelden wat er die dag tegen mij werd gezegd. Want ja, ik ben de hooligan en moet het daarom ontgelden.
Of ik heb meegezongen? Dat is voor hen een vraag en voor mij een weet. Of ik het wat te ver vond gaan? Ja, het had wat minder gekund. Maar wat we precies met het liedje bedoelen is iets compleet anders dan wat wordt geschetst in de media. Binnen no-time ben ik opnieuw af geserveerd als hooligan zonder IQ en kan je niks goed doen in hun ogen.
Bij deze nodig ik daarom iedereen eens uit een wedstrijd mee te maken, wel met notitieboekje en timer. Kunnen ze eens noteren hoe het echt zit en hoe lang er nou kwetsende speekkoren te horen zijn over de 90 minuten die een wedstrijd duurt. Daarna wil ik best wel weer met ze in discussie, maar voor nu is het wachten op het moment dat ik weer kan zeggen: “Hallo, mijn naam is Bobby Grasso en ik zit op de Bunnikside bij FC Utrecht”.